Als we aan het vertellen zijn, vallen we soms zomaar midden in een verhaal stil. Dan zien we een vogel in een boom of in het water. Of iets anders leuks: een plantje, een insect, een afdruk van de poot van een das of een ree of een knaagspoor van een bever. Als we de deelnemers hierop wijzen, reageren ze vaak verbaasd: ‘Dat je dat zo snel ziet…’ Dan denk ik wel eens inwendig gniffelend: ‘ja en dat met één oog!’
Met mijn wat oudere en super-enthousiaste collega Henny had ik een gesprek over hoe mooi het is om met mensen te struinen door het groen en ze te leren kijken naar de natuur. Hij zei dat hij het echt erg zou vinden als hij iets zou krijgen waardoor hij dit vrijwilligerswerk niet meer zou kunnen doen. Aarzelend vroeg hij of ik wilde vertellen hoe het komt dat ik één oog verloren heb. Ik vertelde hem de hele korte versie: een kwaadaardige tumor in een traanklier, tumor en oog werden verwijderd en daarna volgden bestralingen. Hiermee had ik de grootste kans op overleving.
De altijd pratende Henny werd even stil en vroeg toen: ‘Had jij toen verwacht dat je zou kunnen doen wat je nu doet?’ Omdat ik zijn angst ken om niet meer te kunnen wat hij zo graag doet, moest ik even slikken voor ik antwoord gaf. ‘Nee, dat had ik niet verwacht. Ik was bang niet meer te kunnen doen wat ik daarvoor zo graag deed: met groepen werken, vogels spotten, boeken lezen. En nu ben ik soms eigenlijk verbaasd over wat ik allemaal wel kan!’
Kennelijk was zijn angst door mijn verhaal een beetje weggenomen, want zijn gezicht klaarde op en terwijl hij op zijn eigen enthousiaste wijze met zijn hand op mijn schouder sloeg, zei hij: ‘Als een mens iets overkomt, blijkt hij dus toch meer aan te kunnen dan hij denkt’!
Anita Hol-Bubeck